van de banden tussen Europa en Amerika, maar ook tot het verkleinen van de tot dusver steeds groter wordende kloof tussen de zgn. rijke en arme landen. Vooral het laatste punt is uitermate belangrijk, omdat hierdoor gevaarlijke span ningen worden opgeroepen. Slechts door een gecoördineerd optreden der Westerse industrielanden zal de ontwikkeling van het economisch achtergebleven deel van de wereld met enige kans op succes ter hand kunnen worden genomen. In dit verband mag o.m. worden gewezen op de on gunstige invloed, die de in het afgelopen jaar in verschil lende Westerse landen gevoerde restrictieve politiek op de deviezeninkomsten van de ontwikkelingslanden heeft uit geoefend. Voorts is het een onmiskenbaar feit dat de indus triële landen, door hun nationale protectionistische land bouwpolitiek, het de ontwikkelingslanden vrijwel onmoge lijk maken zich ten aanzien van sommige agrarische pro ducten, ondanks de vaak lagere productiekosten, op de wereldmarkt te handhaven. Ook de vervanging van be paalde agrarische grondstoffen door synthetische producten oefent in toenemende mate een nadelige invloed uit op de exportopbrengsten van de ontwikkelingslanden. Is met het oog op deze aspecten internationale samenwerking nood zakelijk, hetzelfde geldt ten aanzien van de zeer omvangrijke ontwikkelingshulp welke ter beschikking dient te worden gesteld, wil men het welvaartspeil in bedoelde landen ook maar enigszins omhoog brengen. Deze ontwikkelingshulp zal vooral moeten dienen om nieuwe bestaansbronnen tot ontwikkeling te brengen, die een compensatie zullen kunnen vormen voor de versagende klassieke middelen van bestaan. De Amerikaanse betalingsbalansmaatregelen hebben met name in de Westeuropese landen tot een accentuering van de krapte op de geld- en kapitaalmarkten aanleiding gegeven, onder invloed waarvan de rentetarieven zich overwegend in opwaartse richting bewogen. Deze tendens werd in de hand gewerkt door de restrictieve monetaire politiek in de meeste van deze landen, terwijl daarnevens de winstmarges van ondernemingen - en daarmede de mogelijkheden tot zelffinanciering - ongunstig werden beïnvloed door de voortdurend stijgende loonkosten, zulks mede in verband met de schaarste aan arbeidskrachten. Voorts pogen dochter ondernemingen van Amerikaanse maatschappijen in toe nemende mate de benodigde kapitaalmiddelen in de landen van vestiging aan te trekken. In West-Duitsland was de vraag naar kapitaal ondanks de sterk gestegen rentevoet zodanig, dat de Bondsregering het wenselijk achtte tijdelijk een emissie-stop voor overheids- en semi-overheidsleningen af te kondigen. Het hoge rentepeil voor obligaties veroor zaakte op de aandelenmarkt een gevoelige terugslag, welke nog werd versterkt door het uit de markt blijven van Amerikaanse kopers, terwijl anderzijds de verkooporders voor Amerikaanse rekening toenamen. Meer recent mani festeerde zich ook in België een opwaartse druk op het rentepeil, zulks vooral onder invloed van de uitgifte van nieuwe overheidsleningen en de toenemende buitenlandse vraag op de Belgische kapitaalmarkt. Ten aanzien van Frankrijk kan worden opgemerkt dat mede als gevolg van de maatregelen ter stabilisatie van de economie de winst marges over het algemeen daalden, terwijl de industriële investeringen een aarzelende ontwikkeling te zien gaven. Een en ander werkte weinig stimulerend op de stemming ter beurze; ook de inmiddels aangekondigde fiscale facili teiten voor bedrijven hebben voorshands geen noemens waardige opleving teweeggebracht. Hier te lande was de toenemende krapte op de kapitaal markt goeddeels het gevolg van de voortdurend stijgende vraag naar middelen zowel van de overheid als van het particuliere bedrijfsleven, terwijl ook de door de monetaire autoriteiten voortgezette restrictieve credietpolitiek als onderdeel van de anti-inflatie politiek ten deze uiteraard een rol speelde. Anderzijds hield het aanbod van besparingen, hoewel een niet onbevredigende stijging vertonend, geen gelijke tred met de vergrote kapitaalvraag. Waar er geen aanwijzingen zijn dat deze tendens zich in de naaste toe komst zal wijzigen, ligt een daling van de rentevoet voors hands niet in de lijn der verwachtingen. Mede gezien de vastbeslotenheid van de Amerikaanse autoriteiten de betalingsbalansmaatregelen met kracht voort te zetten, zullen de kapitaalmarkten in de E.E.G.-landen in toenemende mate zijn aangewezen op de eigen reserves. Nog terzijde gelaten of deze reserves toereikend zullen zijn om de economische expansie in de Gemeenschap te kunnen continueren, kan men zich afvragen in hoeverre de beweeg lijkheid van de kapitaalmiddelen wel voldoende zal zijn, in aanmerking genomen het feit dat er van een vrije kapitaal markt in West-Europa nog weinig sprake is. Waar de be hoefte aan een dergelijke vrije markt steeds groter wordt, temeer nu de Amerikaanse kapitaalmarkt goeddeels is ge blokkeerd, zal ook in dit verband moeten worden gestreefd naar een grotere samenwerking tussen de Europese landen in het algemeen en de E.E.G.-partners in het bijzonder. De Nederlandse economie vertoonde in 1965, ondanks de sterk gestegen rente- en arbeidskosten - de gemiddelde loonsom per werknemer in de bedrijvensector steeg met ruim 10% - een bevredigende ontwikkeling, ook al onder- 11

Jaarverslagen ABN-AMRO Art & Heritage

Nederlandse Overzee Bank | 1964 | | pagina 13