toenemende goudafvloeiing in 1964 weliswaar tot staan ge bracht, doch de dollar kwam wederom onder druk toen Frankrijk besloot spoedig gevolgd door een aantal andere Westeuropese landen - tot een gedeeltelijke omzetting van zijn dollarreserves in goud. Een en ander noodzaakte de Amerikaanse regering in februari 1965 stringenter maat regelen ter verbetering van de betalingsbalanspositie te nemen. Deze maatregelen hielden o.m. in een beperking van de credietverlening aan het buitenland door het Amerikaanse bankwezen van langer dan een jaar, alsook een niet onbe langrijke besnoeiing van de economische en militaire hulp verlening aan derde landen. Daarnevens werd er bij het particuliere bedrijfsleven op aangedrongen de directe buiten landse investeringen vrijwillig te beperken. Terwijl de nagestreefde vermindering van de Ameri kaanse kapitaalafvloeiing naar het buitenland binnen vrij korte tijd heeft geresulteerd in een merkbare verbetering van het betalingsbalansbeeld, verloopt de sanering van de Britse externe positie trager. Hieraan ligt mede ten grond slag het feit dat de oorzaken van het betalingsbalanstekort in beide landen fundamenteel verschillen. Met name moet de onevenwichtige Amerikaanse betalingsbalanspositie goeddeels worden toegeschreven aan het deficitaire kapitaal verkeer met het buitenland, waarbij naast militaire uitgaven de buitenlandse economische hulpverlening een niet onbe langrijke rol speelt, terwijl met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk in het bijzonder de ongunstige ontwikkeling van het handelsverkeer als gevolg van overbesteding en ver minderde concurrentiekracht tot spanningen heeft geleid. Juist ook met het oog op deze verschillen is het in feite irreëel de dollar en het pond als sleutelvaluta teveel in één adem te noemen. Het Verenigd Koninkrijk is vooral als gevolg van een deels verouderd industrieel apparaat en de veelal minder rationele productiemethoden in de industrie- en landbouwsector een structureel niet sterk land geworden, dat zich grote inspanningen zal moeten getroosten om een verder afglijden te voorkomen. Daarentegen blijft Amerika met zijn moderne industrie en grote arbeidsreserve, ondanks de opmerkelijke opkomst van Europa, in economisch op zicht de dominerende macht, temeer ook, nu steeds duide lijker aan de dag treedt dat van een sterk verenigd West- Europa voorshands weinig sprake is. De Britse regering heeft intussen een aantal maatregelen afgekondigd, welke primair een vergroting van de export en beperking van de binnenlandse vraag beogen, alsook het bereiken van een zekere loon- en prijsstabiliteit. Voorts zijn meer recent maatregelen genomen om de directe investe ringen buiten het Sterling-gebied tot een minimum te redu ceren. Het gevaar dreigt evenwel dat de politiek van be stedingsbeperking recessieverschijnselen met zich mee zal brengen - in sommige sectoren is dit in min of meerdere mate ook reeds merkbaar - met als consequentie dat de toch reeds kwetsbare economie verder nadelig zou worden be- invloed. Nochtans hoopt de regering het Britse betalings balanstekort voor 1965 tot minder dan de helft van het in 1964 ontstane deficit ad 800 millioen te kunnen terug brengen, om in de loop van 1966 tot een evenwicht te komen. Ontegenzeglijk heeft de positie van het pond sedert september jl. een verbetering te zien gegeven, waarbij echter de hernieuwde financiële steun van de zgn. „groep van tien" een belangrijke rol speelde. Zolang van een essentiële ver betering van de Britse concurrentiepositie en daarmee van de betalingsbalans geen sprake is, de sterk gestegen schulden last is ten deze mede een nadelige factor van betekenis, zal de onzekerheid ten aanzien van het pond blijven bestaan. Ten aanzien van het probleem van de constante be dreiging van de stabiliteit van het huidige internationale monetaire bestel, hebben de tot dusver dienaangaande ter tafel gebrachte voorstellen, mede door de uiteenlopende opvattingen, vooralsnog niet tot overeenstemming kunnen leiden. Niet alleen echter op monetair, doch ook op economisch- politiek gebied zijn er in de Westerse landen recentelijk tegenwerkende krachten aan de oppervlakte gekomen. In dit verband kan vooral worden gewezen op het diep gaande meningsverschil dat binnen de E.E.G. terzake van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar in feite ook over het wezen van de communautaire integratie gebaseerd op meerderheidsbeslissingen, tussen Frankrijk en de overige partnerlanden is ontstaan. Een en ander heeft geleid tot een boycot van Franse kant van de bijeenkomsten der internationale gemeenschapsorganen, waardoor het voortbestaan van de Europese Gemeen schappen in hun huidige vorm in gevaar wordt gebracht. Het behoeft nauwelijks betoog dat de crisis in de E.E.G. niet alleen voor de lid-staten zelf, doch voor de gehele Westerse wereld, bijzonder ernstig is. Onder invloed hiervan dreigt immers een vertraging op te treden in de voortgang van de economische integratie, hetgeen een nadelig effect zal hebben op de wereldhandel in het algemeen, terwijl ook in politiek opzicht de Europese eenwording op losse schroeven wordt gezet. Eveneens in gevaar komen de G.A.T.T. Kennedy-ronde onderhandelingen, die een be langrijke bijdrage zouden kunnen leveren tot de versterking 10

Jaarverslagen ABN-AMRO Art & Heritage

Nederlandse Overzee Bank | 1964 | | pagina 12